STANDPUNTEN
Zoek alfabetisch:
Zoek op trefwoord:
Onderbouw
Het LAKS vindt dat de onderbouw vooral ruimte zou moeten bieden aan het voltooien van de basiskennis. Het is namelijk de oriëntatiefase voor een sector- of profielkeuze. Deze verbreding kent echter wel grenzen: reken- en taalvaardigheden verdienen prioriteit; de focus zal daarom gericht zijn op de vakken Nederlands, Engels en wiskunde. Daarnaast is het van het grootste belang dat een basis voor de natuurwetenschappelijke kennis gelegd wordt. Een dergelijke opzet waarborgt dat men in de bovenbouw aan verdieping toekomt, en voorkomt dat er een teveel aan kleine, gemeenschappelijke vakken word gecreëerd. Bovendien is het in het belang van de leerling om structueel aandacht te besteden aan persoonlijke ontwikkeling.Onderwijstijd
Het LAKS constateert dat een verplicht aantal lesuren niet leidt tot het waarborgen van kwalitatief goed onderwijs. Door een fixatie op de lesurennorm gaan scholen dwangmatig diverse nutteloze maatregelen nemen om de norm te halen. Hierbij vergeten scholen echter te vaak hun onderwijskundige taak en dit gaat ten koste van goed onderwijs en motivatie van scholieren. Dit moet hoe dan ook voorkomen worden. Het aantal gegeven lesuren is minder belangrijk dan de kwaliteit daarvan, mits de onderwijsprestaties op peil blijven.Daarom moet er een bandbreedte komen, waarin scholen zelf kunnen beslissen hoeveel uur les ze geven. Hierbij dienen scholen rekening te houden met de eigen visie op onderwijs, de beschikbare middelen en vooral ook de mening van leerlingen en ouders. Er zijn dus wel minimum- en maximumeisen over het aantal te geven onderwijsuren. Duidelijk is dat het gemiddelde van deze bandbreedte lager ligt dan de huidige urennorm. Op deze manier wordt er het beste recht gedaan aan elke individuele scholier en grootschalige problemen als de “ophokuren” voorkomen.
De zogenaamde ‘horizontale dialoog’, waarbij scholen verplicht praten met leerlingen en ouders over de kwalitatieve invulling van de lessen, is hierbij van groot belang. Scholieren zijn vanzelfsprekend ervaringsdeskundigen en weten wat ‘inspirerend en uitdagend’ onderwijs is. Wel moet deze ‘dialoog’ goed vastgelegd worden, opdat scholen dit daadwerkelijk serieus oppakken.
De serieus te nemen inspraak over de invulling van de lessen is een voorwaarde van de filosofie dat de overheid hiervoor slechts brede kaders aangeeft en scholen vrijlaat. Een tweede voorwaarde is hoogstaand inspectietoezicht en de overheid kan hier een belangrijke rol bij spelen door het budget voor scholen te verhogen of scholen anderszins in de gelegenheid te stellen ‘uitdagend en inspirerend’ onderwijs te verschaffen.
Rol Onderwijsinspectie
In Nederland rekenen we scholen af op slagingspercentages, doorstroomcijfers, en andere wiskunde. Het is onwenselijk dat de Inspectie naar iedere school gaat en aan de hand van een in Den Haag bepaald beeld over ‘onderwijs’ de school beoordeelt, zoals voorheen het geval was. Scholen moeten de vrijheid hebben om in hun eigen filosofie en in gesprek met leerlingen en ouders het onderwijs in te vullen.
Scholieren hebben echter wel recht op kwalitatief hoogstaand onderwijs, ook als de slagingspercentages hoog zijn. Daarom moet de Inspectie veel meer naar scholen toe gaan en met leraren, leerlingen en ouders praten. Niet om meteen vanuit een bemoeizuchtige rol de school af te straffen. Wel om de school te beoordelen en te helpen zichzelf te ontwikkelen, te kijken wat de tevredenheid van scholieren over hun onderwijs is. Landelijk kan er wel vastgesteld worden wat de basisvoorwaarden voor onderwijs zijn. Deze sluiten ‘ophokuren’ volgens het LAKS uit.
Een aantal zaken die de Inspectie op schoolniveau moet meenemen zijn de tevredenheid van scholieren, bijvoorbeeld middels onderzoeken, en de uitgevoerde horizontale dialoog. Bij dit laatste gaat het niet alleen om het formele aspect, dus bijvoorbeeld contact met de medezeggenschapsraad, maar ook om het informele.
Ook moet de Inspectie signalen van scholieren serieus nemen en moet het LAKS scholieren motiveren om klachten over hun onderwijs te melden bij de Inspectie, of zorgen voor een doorgeefluik tussen klacht en Inspectie in.
Overgang basis- naar middelbareschool
Het is belangrijk dat basisschoolleerlingen goed op hun plek komen in het voortgezet onderwijs. Een sterk advies is daarom noodzakelijk. Om die reden pleit het LAKS dat het advies van de basisschool altijd het zwaarst telt. De CITO is slechts een momentopname waarin basisschoolleerlingen erg onder druk staan om te presteren. Daarom mag de CITO nooit een reden zijn voor een schooladvies. Middelbare scholen zouden alleen op basis van het gehele advies mogen selecteren, niet alleen op basis van de CITO-toets.Verder moeten leerlingen met vergelijkbare kwaliteiten op hetzelfde schooltype terecht komen. Regionale verschillen moeten streng bestreden worden. Ook moet de brugklas ruimte bieden om door te stromen, selectie hoeft pas op te treden in de tweede of derde klas zodat leerlingen meer kansen krijgen om het maximaal haalbare te bereiken.


